We zeggen het vaak wanneer het leven ons even te veel is geworden: ik moet eerst tot mezelf komen. Meestal voelen we dat pas nadat we een tijdlang zijn doorgegaan. We hebben ons aangepast aan het tempo van de dagen en gedaan wat er van ons werd gevraagd. Langzaam is de aandacht steeds meer naar buiten gericht geraakt. Op een bepaald moment merken we dat we moe zijn, sneller geraakt worden of eenvoudigweg niet meer goed weten wat we zelf nodig hebben. Tot jezelf komen klinkt alsof je daarvoor alleen even rust moet nemen. Alsof een vrije middag genoeg is om daarna weer met nieuwe energie verder te gaan. Soms helpt dat ook. Maar werkelijke rust ontstaat niet alleen doordat onze agenda leger wordt. We kunnen op de bank zitten en ons vanbinnen nog steeds opgejaagd voelen. Ons lichaam is tot stilstand gekomen, terwijl onze gedachten doorgaan. Werkelijk tot jezelf komen vraagt dat we onze aandacht weer naar binnen brengen. Dat we niet meteen zoeken naar een oplossing, maar eerst durven opmerken hoe het met ons is. Onder de dagelijkse drukte leeft vaak meer dan we ons bewust zijn. Een gevoel dat we hebben weggeduwd kan zich opnieuw aandienen. Ook kan ineens duidelijk worden dat we al een tijd over onze eigen grenzen gaan. Soms is er helemaal geen groot inzicht, maar alleen het besef dat we moe zijn en behoefte hebben aan ruimte. De stilte waarin je jezelf weer hoort Stilte wordt vaak gezien als de afwezigheid van geluid, maar ze kan ook een innerlijke ruimte zijn. Een plek waarin we niet direct iets hoeven te doen met wat we ervaren. We mogen even blijven bij wat zich aandient, zonder er meteen een antwoord of verklaring voor te zoeken. Dat klinkt wellicht aangenaam, maar stilte voelt niet altijd direct rustig. Wanneer de afleiding wegvalt, worden gedachten soms juist nadrukkelijker. Wat gedurende de dag op de achtergrond bleef, krijgt ineens onze aandacht. Daardoor kunnen we